20-03-18

Gedicht




Gerri. Groene zandloopkever
Cincindela campestris

Achter een loshangend lipje van een afgebroken bloem, 
even na het optrekken van het zware mistgordijn, komt hij 
tevoorschijn, aarzelt allerminst op zijn weg terug, merkt 
zijn eigen snelheid niet bij het jagen en klussen, druk bezig 
met zijn werk. Hij zoekt naar iets, leeggedroomd en niet 
te stuiten, lijkt gewichtloos, raakt even uit het zicht, voelt 
zijn honger groeien, bijt zich vast in het grauwe, kille licht 
dat is overgebleven. Vliegend, dan weer ingespannen rennend,
een prooi tussen zijn tangen en kaken, een mug nog wel, 
verdwaalde mug, argeloze mug, haast hij zich een tunneltje in, 
schuift langs korrels zand, knipt, nee, rijt het diertje in stukken, alles
aan ons oog onttrokken, besproeit het met spijsverteringssappen. 
En kijkt niet op, want al te vraatzuchtig bezig, als de grond boven 
hem trilt en krult, dichtklapt na een voetstap, pardoes neergezet 
door een verdwaalde wandelaar, nietsvermoedend van zijn daad.

 frb

Uit de Poëziekrant, nummer 2, maart-april 2018. Het gedicht is uit de reeks 'Kleine insectologie'. Komend najaar verschijnt bij Meulenhoff mijn dichtbundel Zoveel nabijheid.



Geen opmerkingen: