29-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (4)




Komen de twee verstilde dieren uit Overpeinzingen deel 3 mogelijk in de laatste zin van 'Velden' voor? In ieder geval heb ik ze opgetuigd met 'een bit van goud en traan, dunne / zucht van zalf in hun haren.' Konden wij het Trakl vragen, hij zou weten hoe ik aan het einde van het gedicht naar zijn farmaceutische (alchimistische) achtergrond verwijs. Met als laatste beeld de maan, onttrekt het gedicht zich aan zichzelf en blijft er iets hangen van wat Wittgenstein zo raak over de gedichten van Georg Trakl zei: 'I do not understand them, but their tone delights me.'
Of dat ook voor een gedicht als 'Velden' geldt? Bij herlezing, na jaren, viel mij op dat ik er destijds geen merel in had opgenomen. Al die tijd had ik aangenomen dat ik de zang van deze vogel had laten meeklinken in een van de laatste strofes. Maar hoe ik ook lees: geen merel! Ik ben verstomd. Vaker had ik anderen van mijn relatie tot het verschijnsel merel verteld, een haat-liefde-verhouding. Die mistroostige avondzang van deze zwartrok onder de tuinvogel, de donkere roep die maar al te vaak samenviel met het geluid van de dichtschuivende gordijnen op mijn slaapkamer als de dag werd afgesloten, terwijl onzichtbaar achter het donkere velours de merel in het avondlicht positie had gekozen op een schoorsteen. Zó droefgeestig klonk zijn lied dat het me als kind beangstigde. Ik begon me bedreigd te voelen, zo hardvochtig hield hij aan!
Wat is er nu mooier in een binnenstadstuin dan een merel? werd me jaren later voorgehouden. Ik ben allang overstag gegaan, reken het de vogel niet aan dat ook nú zijn avondzang mij geen vertroosting brengt, eerder een soort melancholie.

Georg Trakl had hetzelfde met merels. Vandaar dat ik dacht dat ik de merel als een soort hommage in mijn gedicht had opgenomen. In zijn ‘Kasper Hauser-lied’ dat ik na jaren weer eens lees, valt mij op hoe hij deze vogel met 'zingende zwartvogel' aanduidt. En wat te denken van deze regel uit het gedicht ‘Anif’: 'Steeds schreeuwt in koude takken de nachtelijke vogel.' Vast een merel. En in Zomereinde: 'Aan de avondvijver stierven de bloemen. Een verschrikte kreet van de merel.' En dit staat er aan het begin van de intrigerende Elis-cyclus: 'Elis, als de merel in het zwarte bos roept, / Dit is je ondergang.'

(wordt vervolgd)

Uit Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


Geen opmerkingen: