04-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (3)


"De zee is warm maar er staat al een frisse wind, je zoekt de zon als je gezwommen hebt. Ook het zand doet als je een kuil wilt graven aan herfst denken; het blijft aan je huid plakken, kil en vochtig, en de lucht is zo dat je, als je daar ligt met je ogen dicht, plotseling aan onze bruine en rode bossen thuis moet denken. Ze zijn al bezig de in bonte kleuren geschilderde badhokjes af te breken, en de vissersbootjes zijn op het strand getrokken. Elke dag kan de laatste zijn. Verder zijn er alleen nog twee buitenlandse meisjes. Ik weet niet eens welke taal ze spreken, zo geweldig gaat de zee tekeer als ze haar golven met donderend geraas op het strand werpt. Uren achtereen kijk ik naar hun fluisterend gekrieuwel, iedere keer schittert het zand, blinkend van het nat dat langzaam als vloeipapier doffer wordt, en weer blijven de lege schelpen achter, meestal verschillende, ze zakken weg in het zand, er vormen zich kleine putjes totdat de volgende golf komt, oprijst en hol wordt zodat de zon erdoorheen, en met schuimbruisende kruin ineenklapt, stampend, kletsend, kolkend."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


Geen opmerkingen: