17-08-17

De eerste alinea (54)


"Onder een volle, koude maan loopt een jonge man langs de oevers van het Blackwater. Het oude jaar heeft hij leeggedronken tot aan de droesem, zijn ogen deden pijn, zijn maag keerde zich bijna om en hij kon niet meer tegen het felle licht en de drukte. 'Ik ben even naar het water,' zei hij dus, en hij kuste de dichtstbijzijnde wang. 'Ik ben voor twaalf uur weer terug!' Nu kijkt hij in de richting van het oosten, waar het tij langzaam keert aan de monding van de rivier en witte meeuwen glanzen in de branding."

Sarah Perry, Het monster van Essex. Vertaling uit het Engels: Natasha Gerson en Roland Fagel. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2017

14-08-17

Kleur (fragmenten)


Wij spraken nog over vermiljoen
en nu is hij dood.
Ik ga hem zien en kan niets voor hem doen.
Bij God, als er een hemel is, dan is hij rood.

Pierre Kemp, ‘Rood’. Uit Stabielen en passanten 
Uitgeverij Veldeke, Maastricht 1934
-------------------------------------

Toen eens die groote schilder 
De wereld verven zou, 
Klom hij eerst in den hemel – 
Den hemel maakte hij blauw

C.S. Adema van Scheltema, ‘Kleinood’ 
Uit Van Zon en Zomer, Uitgeverij Amsterdam 1902
-------------------------------------

De zee is lelieblank, 
De zee is leliegroen, 
Zij spiegelt zich blauwgroen, 
En ruist iederen klank. 

Herman Gorter, ‘De zee is lelieblank’.
Uit: Verzameld werk, deel 6. A.J. van Dishoeck/Em. Querido,
Bussum/Amsterdam 1950
-------------------------------------

Drie jongleerballen, vier kleuren 
van zachtgeschilderde huid. 
Een, twee, drie. Een, twee, drie, vier. 
Groen, geel, blauw, rood.

Tonnus Oosterhoff. Uit: Robuuste tongwerken, De Bezige Bij, Amsterdam 1997

03-08-17

Gedichten op video (5)


Remco Campert leest Gerrit Kouwenaar


Kijk het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was.


Oorspronkelijk opgenomen in Gerrit Kouwenaar, Kijk het heeft gewaaid. Uitgeverij Herik, Landgraaf 1993. De titel is ontleend aan een uitspraak van Remco Campert, gedaan op het Westplein te Rotterdam op 20 juni 1992. Het gedicht is aan hem opgedragen.


28-07-17

Vijftigste sterfdag Pierre Kemp


De dichter Pierre Kemp stierf op 21 juli 1967 te Maastricht, hij was tachtig. Zijn collega's Leo Herberghs (1924) en Hans van de Waarsenburg (1943-2015) werden precies op die dag drie en veertig en vier en twintig.
De dag van de uitvaart was het stralend zomerweer (‘Ik wil de zon in alles evenaren’). Ik was niet aangeschoven in een van de banken, hield me onder het oksaal, niet ver van de kerkdeur. Vond dat ik er moest zijn, de dichter had ik ooit voor de schoolkrant geïnterviewd, sindsdien had ik alles van hem gelezen. Deze man, altijd in een zwart pak, die in zijn poëzie zo kleurrijk was, intrigeerde me. Zijn fascinatie voor de muziek, zijn oog voor het vrouwelijk schoon. Het was niet altijd even gemakkelijk om een compleet beeld van hem te krijgen. Zijn collectie schilderijen zou pas dertig jaar na zijn dood in het Bonnefantenmuseum te zien zijn.
Wat ik mij sterk herinner, die dag van zijn uitvaart, is het binnenkomen van de lijkkist: een zee van veldbloemen op het blanke, houten deksel – het bracht ineens de zomer in de kerk. Kempiaanser kon het niet, in al zijn eenvoud ontroerde het. (‘Ik zou de bloemen wel handen willen geven, / maar mijn vingers zijn zo grof.’)
Toen de dienst al begonnen was, ging de zware deur naast mij langzaam open. Dichter/schrijver Adriaan Morriën schoof de kerk binnen, achter hem twee meisjes in uiterst korte zomerrokjes, Alissa en Adrienne, zijn dochters uit Amsterdam, beeldschone engelen die Pierre Kemp op de laatste meters van zijn tocht begeleidden. Het moet een onuitgesproken wens van hem zijn geweest die hier in vervulling ging. Uit ‘Afscheid van het leven’, ver voor zijn dood geschreven:

Speel, Pierre, speel zacht hoog boven de valleien
en luister in de rusten, hoe het klinkt,
eer voor een laatst geliefd paar dijen
voorgoed de nacht van ‘t ander leven zinkt.


In september 2017 verschijnt er bij Uitgeverij Vantilt een bloemlezing van zijn poëzie en is er in het Bonnefantenmuseum een tentoonstelling van zijn werken op papier.

27-07-17

Zee (fragmenten)


Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in 't verschiet
Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.

J. Slauerhoff, ‘Zeekoorts’, uit Eldorado. Van Dishoeck, Bussum 1928
-------------------------------------

Eens zal het weer regenen
stil, zoals toen aan zee
kom mij dan tegen en
ga met mij mee.

Adriaan Roland Holst, ‘Eens, uit Een winter aan zee. Bert Bakker, Amsterdam 1976
-------------------------------------

De lichtende zee en de langzame deining
van nemen en geven in rijkdom of nood.

H.C. ten Berge, uit de cyclus ‘Splendor’, opgenomen in Splendor, Atlas Contact, Amsterdam 2016
-------------------------------------

De zee plant zich voort in het water.
De zee is voedzaam als een rijpe boomgaard.

Paul Snoek, ‘Zeewaarts gezegd’, uit Noodbrug. De Sikkel, Antwerpen, 1955



23-07-17

Wind (fragmenten)


Alsof ik hier niet ben, zo doet de wind

Marjoleine de Vos, Het waait, 2008       
----------------------
Een ogenblik!
        Wat hoor ik daar?
        De wind.
        Niemand.
        Snik maar.

Leo Vroman, Gedichten 1946-1984
----------------------
Niet meer dan een briesje
een windvlaag, bladgeritsel
en dan het trage, onaanzienlijke vallen

Bernlef, Kiezel en traan, 2004
-----------------------
Maar toen al hoorden we het ruisen
Van de wind het schel en boosaardig gekras

Mischa Andriessen, Eurydeke, De Gids nr. 3, 2017


20-07-17

Zijn verzameling, zijn leven



Op verzoek van gastcurator Tom Beckers schreef ik een gedicht bij de tentoonstelling 'Verzameling en leven van Leon Mommers' in Museum Land van Valkenburg. Meer over deze tentoonstelling van deze sympathieke kunstverzamelaar vindt u op de website van het museum.

Leon Mommers op atelierbezoek

I

Schilders reist hij tegemoet, vergezichten
en beeldverhalen, de lonkende roep van
een niet te stillen hunkering. O euforie
van kleur, lijn en betekenis, zaligmakend
geluk van  dieprode vlakkwn, de kronkeling
van een speelse lijn. Hij treedt binnen
in een schilderij als door een hemelpoort,
tast met hoofd en hart alles af.
Bij het afscheid neemt hij alle uitzichten
en indrukken mee – uit elk werk één.

II

Een boom springt onverwacht voor het raam van
het atelier. L neemt per ongeluk diens schaduw
mee, keert terug naar het huis van de kunstenaar,
vouwt met respect de zoekgeraakte schaduw uit
over de stenen vloer. En bouwt in al zijn gulheid
een vriendschap voor het leven op.

III

Zo trekt hij door de gaarden van de kunst,
spreekt muzen aan, deelt hun geheim, zoekt
gedurig de weg voorbij het alomvattende
waar nooit een deur voor hem gesloten blijft.


 frb

Leon Mommers (1937-2015) is boven tweemaal in beeld: in een documentaire van Ger Houben van L1-TV en op een houtskooltekening rechtsboven van Peter Geerts. 

 

18-07-17

Pessoa aan de wandel



'Als ik me achterlaat, wegval in schroom en huiver,
mijn hoofd langzaam aan het kraken, roept u mij dan terug?'

Zegt De Campo:
'Gebroken is de toverspiegel waarin ik mij zag zoals ik was,
En in elke noodlotsscherf zie ik nu slechts een stuk van mij –
Een stuk van u, een stuk van mij.'


Eerste strofe: ongepubliceerd citaat van mij. Tweede strofe: fragment van Álvaro De Campo (heteroniem van Fernando Pessoa) uit het gedicht Lisbon revisited (1926). Vertaling: August Willemsen. Fernando Pessoa, Gedichten, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1982.


Met dank aan Roel Idema voor de inspirerende beelden.


16-07-17

Leselust


Een uur lang was vandaag het podium voor ons: voor mijn vertaler Stefan Wieczorek en mijzelf. Op de Lousberg aan de rand van het Duitse Aken lazen we in het kader van het zomerprogramma  Leselust voor uit de dit najaar in Berlijn verschenen tweetalige bloemlezing Ein Haus in der Erde. Bijgevoegd een van de gedichten bij een masker uit Kioto:

De weg naar zee

Opgetuigd met kleuren kijk ik u aan.
Vanaf de top van mijn berg rolt het licht
richting stad. Wie bang is, laat het hoofd

hangen, weent eenzaam in zijn achtertuin.
De sluimer na het onweer ziet hij niet. 
Het licht verscheurt zichzelf, rolt uit
in een lijn die breekt. Verwarring alom
als drijfhout bij elke kolk aarzelt over
de weg naar zee, alle lege ruimtes vult.

Weet dat dit het leven is: dromen
afstaan en iets anders vinden, resten
van woorden, ooit verloren taal.

Onverklaarbaar trilt het onweer na.

............................................................


Der Weg zum Meer

Mit Farben aufgetakelt schau ich dich an.
Von der Spitze meines Berges rollt das Licht
in die Stadt. Wer Angst hat, lässt den Kopf

hängen, heult einsam in seinem abgewandten Garten.
Den Schlummer nach dem Unwetter sieht er nicht.
Das Licht zerreißt sich selbst, rollt sich aus 
in einer Linie, die bricht. Verwirrung allerorten
wie Treibholz bei jedem Strudel zweifelt 
über den Weg zum Meer, alle leeren Räume füllt.

Wisse, das dies das Leben ist: Träume 
aufgeben und etwas anderes finden, Reste 
von Worten, eine verlorene Sprache.


Unerklärlich bebt das Unwetter nach.


08-07-17

De eerste alinea (53)


'''Zitten,' zei Inge Lohmark, en de klas ging zitten. Ze zei: 'Boek open op bladzijde zeven.' En ze sloegen hun boek open op bladzijde zeven en begonnen met de ecosystemen, de natuurhuishoudingen, de afhanke-lijkheden en onderlinge relaties tussen de soorten, tussen de levende wezens en hun omgeving, de samenhang tussen gemeenschap en ruimte. Van de voedselketen van het gemengde bos kwamen ze op die van het weiland, van de rivieren op de meren en tenslotte op de woestijnen en de Waddenzee."

Judith Schalansky, De lessen van mevrouw Lohmark. Vertaling uit het Duits: Goverdien Hauth-Grubben. Uitgeverij Signatuur, Utrecht. Vierde druk, maart 2013.

05-07-17

Hommage aan Rogi Wieg (1962-2015)



Een honderdtal dichters werkte mee aan de bundel In de kring van menselijke warmte die 1 juni j.l. bij uitgeverij In de Knipscheer verscheen. In de door Peter de Rijk samengestelde dichtbundel brengen zij een eerbetoon aan hun collega Rogi Wieg. Ondraaglijk geestelijk en lichamelijk lijden maakten voor hem het leven tot een lijdensweg. Hij koos uiteindelijk voor euthanasie.
Beneden mijn bijdage:

Het onwaarschijnlijke

Je schreef: ‘Dat ik verdwijn is onwaarschijnlijk,
maar wel waar’. Uiteindelijk haalde de tijd je in,
het richtingloze in hoofd en lijf dat jou voortdurend

klem zette, gevangen hield in een gruwelijk duister.
Toen je wegging, hoog boven alle huizen uit verlost werd
van angst en pijn, er naar eigen wens vleugels groeiden

uit je ruggenmerg, keek je verwachtingsvol de straat in.
Of leek dat maar zo, wilden we je graag terugzien, jou alle
ruimtes met je geliefde Abys laten delen, een paradijselijke

tuin schenken waar het gras van zilver is, een toekomst
vol liefde, gevoelens en verlangens die elkaar steeds
toelachen, zich verdringen om je te gedenken, elke dag.


 frb

Tekening omslag: Abys Kovács-Wieg 

29-06-17

Gedichten op video (4)


WACHTEN

Een jaar lang wachten op winterakonieten,
op het bestellen van concertkaarten, op flarden
weekmakende muziek die straks, hier –
wachten met haast, onrust, op het vinden
van je plaats in de zaal, op deze stoel drie uur
lang, zoveel minuten, zoveel maten –
wachten op het goud van de cello’s, het zwart
silhouet van de hobo. De benauwde stoomfluit
van zijn a, het openslaan van dikke partijen –
op de kleine jongens in hun koorhemden, hoog
voor het orgel, met strakke wangen en droge lippen;
wachten tot het wachten stolt, een verdriet
zonder grenzen bezit neemt van al wat je weet,
een honger je opvreet bij de treurmars waarmee
dit begint. Nog even heb je gedachten: kraaien
boven Jeruzalems bleke muren, een file op weg
naar Golgotha – dan zakken je schouders, raak je
vervuld van belachlijk verlangen. Het geeft niet.
Muziek van drie eeuwen terug en het is nu. Weldadig
antwoord op vragen die je nooit had, verdachte
troost die je opslurpt als zuiver water.
Die rare krullenkop van vroeger doet het wachten
teniet, wiegt je zacht, in de zaal. Hij is de trooster,
het is hier, hij heet Bach.

Anna Enquist

26-06-17

NBD Biblion over 'De dagen'


NBD Biblion (voorheen Nederlandse Bibliotheekdienst) verzorgt voor de bibliotheken recensies van pas verschenen boeken. Ook De dagen kreeg een bespreking die hier te lezen is.

23-06-17

Over Fernando Pessoa (slot)


Gisteren nog had ik dat schrijfbureau willen zien, in het huis met de vele ramen aan de Rua Coelho da Rocha waar Fernando tot zijn dood op kamers woonde. Maar de deur op de bovenverdieping bleef op slot. Helaas. Ik moet het nu doen met een ansichtkaart die ik aan het begin van de straat post. De loketbediende plakt een dermate grote postzegel van de H. Antonius op de achterkant dat de bovenste regel van het adres verloren gaat. ‘This is a good saint, he will keep your card,’ zegt ze bloedserieus als ze de verbazing in mijn ogen leest. ‘...In de trieste wanorde van mijn gevoelens...’ zoals Pessoa ooit zei, trek ik mij terug uit de rij. 
Wat straten verder, in een plantsoen, strijken vergeelde palmbladeren over de groene buste van een vergeten held. Twee mannen zitten zwijgend te kaarten. ‘s Anderendaags, als de taxi naar het vliegveld een verkeerde straat inslaat, zitten ze er weer. Bedreven gooien ze hun kaarten op. Op nr. 16 in de Rua Coelho da Rocha wordt een bureau naar binnen gedragen. Links en rechts over de laden lopen brede stroken tape. Dan schiet de bovenste lade open. Ik schrik, en draai me om. 
‘What did you see?’ vraagt de taxichauffeur. 
‘A part of the universe,’ waag ik te zeggen.
‘It sounds like a song,’ zegt hij.

O Pessoa, ik raak je nooit meer kwijt.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



21-06-17

Over Fernando Pessoa (11)



Zoals deze schrijver Lissabon aan de wereldliteratuur heeft geschonken – Kafka bij Praag behoort, Joyce bij Dublin, Borges bij Buenos Aires, Garcia Márques bij Macondo – zo heeft de stad aan de Taag haar schrijver opgenomen in de eerbiedwaardige omgeving van een rustgevende stilte, niet ver van de pronkgraven van twee koningen, in de nabijheid van een andere schrijver, Almeida Garret die in 1854 werd bijgezet. 
Alle geheimen en raadsels uit één straat van deze Portugese stad schreef Pessoa de wereld in, vanachter een bureau in de Rua dos Douradores, waarvan alleen hij wist welke lade toegang gaf tot het universum dat hij elke dag opnieuw in zijn geschriften probeerde te doorgronden. Men heeft hem een kort gedicht van Ricardo Reis, een van de heteroniemen, meegegeven dat ik thuis in de vertaling van August Willemsen nalees:

Wees, om groot te zijn, geheel: maak niets wat jouw 
is Groter of tot niets.
Wees al in alles. Leg zoveel je bent
In ‘t minste dat je doet.
Zo blinkt de maan in ieder meer geheel

Wijl zij verheven leeft.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

19-06-17

Over Fernando Pessoa (10)




Het is de beleving van droom en werkelijkheid, de uiting van een levensgevoel dat transcendentaal moet zijn, dat hij onder het heteroniem van de dichter Álvaro de Campos zó weergeeft: ‘Of zijn wij allemaal het Ik dat ik hier was of wij hier waren, / Krans van kraal-levens geregen aan een snoer-herinnering, / Krans van dromen over mij van iemand buiten mij?’
Het is zondag twaalf uur, heel Lissabon zal het weten! Op de kleine witte huizen die zich tegen de heuvel van Alfama omhoogkronkelen stort de zon neer, de blinde op het Rossio zakt in zijn eigen schaduw weg, over het water van de Taag spant zich in de trillende verte de rode brug, glinsterende auto’s kruipen als mieren in een spoor naar de overkant. 
Touringcars spuwen luchtig geklede toeristen uit, ik ben met de tram, sta er zo’n beetje tussen, zie wat zij niet zien: een bruid die aan de arm van haar veel te kleine vader zo dadelijk het Mosteiro dos Jerónimos wordt binnengeleid. Ik haast mij naar het voorportaal. ‘Família?’ wordt me gevraagd. Ik wil de architectuur bewonderen, ben al uit de schemer van het laagkoor getreden en sta onverwacht in het heldere licht van de Renaissancekerk onder de sierlijke pilaren. Nogmaals: ‘Família?’ Zonder te blozen zeg ik ‘sim!’, en, zie daar: het middenschip gaat voor me open. 

Een uur later, in de luwte van het claustro, niet ver van een leeuwenfontein in een nis van een van de gangen die om de pandtuin ligt, stuit ik onverwacht op een zuil van roze marmer. Iets onder het midden, op een halfmatte chromen plaat lees ik: Fernando Pessoa 1888-1935. Dat had ik nou niet verwacht! ‘13 Junho 1985’ staat er beneden aan de rand. Vijftig jaar na zijn dood is hij hier herbegraven. Ik sta, zonder er erg in te hebben, op de afdekplaat van zijn graf.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



16-06-17

Over Fernando Pessoa (9)




Fernando Pessoa maakt de buitenwereld tot het ik. Met een manier van kijken die zich buiten het ik bevindt, die buitenwereld is, en die hij ‘binnenhaalt’ om het tot ‘ik’ te laten worden. De ziel waarover hij het in zijn boek zo vaak heeft is daarmee zowel het bewuste als het onbewuste, het ik, zowel als het zijn en het bestaan. Benardo Soares leeft wel en ook weer niet, hij verkeert in een toestand tussen het zijn en de voorstelling van het zijn, tussen de werkelijkheid die hij waarneemt en die hij al schrijvend oproept. Pessoa voert ons mee een landschap in, al snel lopen we aan de andere kant van het schilderij, voelen we dat wat we zien meer dan het alledaagse is, dat het om een gevoel van onrust gaat die het hele bestaan omvat, die iets van een tragiek oproept, een oneindigheid van opeenvolgende levens die zich uitkristalliseert niet buiten mij, maar ìn mij.



frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


14-06-17

Over Fernando Pessoa (8)


Wat doet een vreemdeling in Lissabon? Na een paar dagen herkent hij deze of gene inwoner: de krantenman, de blinde lotenverkoper – gisteren nog op de trappen naast het Estação Rossio. En is dat, nu in zijn vrijetijdskleding, de ober niet van het chique Faz Figura? Boven de ouderwetse zaak rechts ontdek ik een man in de smalle opening van de glasgordijnen. Met één hand aan de stof om zich zo nodig ogenblikkelijk onzichtbaar te maken tuurt hij de straat af. Net als ik ziet hij de zwaarinvalide man, het identiteitskaartje in diens rechterhand houdt hij alle dagen dat ik in Lissabon op dit punt langskom op dezelfde achteloze manier omhoog. Hij staat ietwat teruggetrokken op een stoepje naast een grote deur, zijn gezicht is ernstig mismaakt, donkerrood, gezwollen, onherkenbaar. De man achter de gordijnen observeert eerder de reacties van argeloze voorbijgangers dan de mismaakte bedelaar aan de voordeur. Wat jaren geleden nog zou hij een kermisattractie zijn geweest, nu is hij een vast onderdeel van de stad  geworden. Als twee meisjes vol afschuw hun hoofd afwenden, verschijnt er een glimlach op het gezicht van de man achter het raam, en voor de zoveelste keer die dag trekt hij de gordijnen dicht. Voor even. In een volgende ronde bekijkt hij de gedragingen van de buspassagiers of hij kijkt een koppel duiven na dat klapperend neerstrijkt tussen de asfalthobbels op de weg.
Zo moet Pessoa’s Benardo Soares de wereld hebben zien voorbijgaan. En uit de eenvoudige gebeurtenissen op straat haalt hij de thema’s binnen – schoonheid, verval, eenzaamheid, kunst, dood, identiteit. Gesprekken die elders in Europa in burgerlijke literaire salons gevoerd worden.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

12-06-17

Over Fernando Pessoa (7)



Achter mij, in een van de rechte straten van de benedenstad, ligt de Rua dos Douradores. Hier, in een huurkamer, plaatst Pessoa het leven van zijn heteroniem Benardo Soares. ‘Ik ben het,’ zegt hij al gauw over dit personage, ‘zonder het verstand en de affectiviteit.’ In talrijke geschriften wisselen mijmeringen en dagdromen elkaar af, tast de schrijver rusteloos naar het hoogst bereikbare, lossen én wereld én Lissabon – de geliefde benedenstad incluis – zich op in het hoofd van de man die zijn eigen universum opbouwt, wetend dat hem dit nooit zal lukken. Voor hem hoefde dit briljante proza ook nooit gepubliceerd te worden; uit het schrijven haalde hij zijn identiteit, niet uit het publiceren, en een eventuele daarop volgende roem.
Ik loop verder in Pessoa’s stappen onder de hoge gevels van de stad door, totdat aan het brede Praça Dom Pedro IV de zon mij dwingt mijn weg langs de huizen te zoeken. Bij het fameuze ‘Café Nicola’ neem ik plaats op het kleine terras.

 frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

09-06-17

Over Fernando Pessoa (6)



Waar leed Pessoa zo aan, waarom wilde hij het leven niet voelen, de dingen niet beroeren, waarom vluchtte hij in het isolement? Het is dit: ‘Ik voel de tijd met een immense pijn. Wanneer ik iets achter me laat, is dat altijd met een overdreven ontroering (...). De tijd! Het verleden! Wat ik was en nooit meer zal zijn! Wat ik had en nooit meer zal hebben. De Doden! De doden die mij beminden in mijn kinderjaren. Wanneer ik hen oproep verstart heel mijn ziel en voel ik mij uit hun harten verbannen, alleen in mijn eigen nacht, terwijl ik als een bedelaar de gesloten stilte van alle deuren beween.’
Het lijkt op verlatingsangst. De melancholieke stemmingen die het Portugese saudadegevoel zo  kenmerken, komen daar nog eens bij – de opluchting én droefenis vanwege de pijn en de liefde die geweest zijn, die nog komen moeten en die nooit zullen komen: de niet te beschrijven nostalgie die zich muzikaal een uitweg zoekt in de melodie van de fado. Ook dat dus. ‘Wij zijn eeuwige voorbijgangers aan onszelf,’ schrijft hij. ‘Voor óns (...) bestaat enkel het landschap dat wij zelf zijn. Wij bezitten niets, want we bezitten niet eens onszelf. We hebben niets omdat we niets zijn. Welke hand moet ik uitstrekken naar welk heelal? Het heelal is niet van mij: ik ben het.’

 frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999