16-12-17

'Black Dog'


In 2001 componeerde de Amerikaan Scott McAllister
een rapsodie voor klarinet en harmonieorkest. Hij liet zich hierbij inspireren door een gelijknamig nummer van Led Zeppelin. Het is het verhaal van een oude hond wiens geliefde twee huizen van Zeppelins opnamestudio woonde. Robert Plant, zanger bij Led Zeppelin hierover: 'De oude hond zocht zijn lief nog regelmatig op, maar na het paren had hij niet meer de kracht om huiswaarts te keren. Er zat niets anders op dan hem naar zijn huis te dragen.' McAllisters compositie werd afgelopen zomer door Harmonie St. Petrus en Paulus uit Wolder-Maastricht uitgevoerd tijdens het Wereld Muziek Concours. Op verzoek schreef ik onderstaand gedicht. De vertaling is van John Irons. Een uitvoering van 'Black Dog' is hier te beluisteren.

Black Dog

Return, labrador retriever, to the house
of your much-loved bitch, seek a way in.
I know: it’s enough to make you whine, you, worn out
in your old age, bad breath, your gums a
nasty red, your failing kidneys.

The lumps on your paws slow down your
former tempo, your heart bangs away in the wrong
place. Go on, return to your loved-one’s house.
She strokes with her eyes, beckons with her ears,
between the paws under her tail sparks

shoot up that set you all ablaze.
So: do, re, mi, duet! sings the clarinet:
give your girlfriend your great male charm, approach
her with affection, stretch out your crimson tongue,
feel your heart beat and know as of old:

she has a place for you, move that black coat of yours,
grow back to your first night. Lug yourself
afterwards off to your basket, poor old chap,
look up, look down, music evokes the urge,

One last spiral turn and sleep.


10-12-17

Gedicht bij compositie van David Maslanka


6 augustus 2017 kwam de Amerikaanse componist David Maslanka op 73-jarige leeftijd te overlijden aan de gevolgen van kanker. Een maand eerder was hem zijn vrouw Alison ontvallen.
Precies een week vóór Maslanka's dood behaalde Harmonie Sint Petrus en Paulus uit Wolder-Maastricht het wereldkampioenschap in de hoogste klasse van het Wereld Muziek Concours. Een van de vier werken die het harmonieorkest speelde was 'Traveler' van David Maslanka.
Ik maakte er onderstaand gedicht bij dat werd opgenomen in het programmaboekje.

Traveler

We lopen aan eigen schaduw vooruit,
vervloeien met de muziek om ons heen.
Ik zie je, al spreek je geen woord.

In mijn hoofd blijf je dicht bij me, leg je
een hand op mijn schouder en houdt me vast,
een leven lang. De tijd loopt met ons mee,

houdt ons bijeen. We schuilen in muziek
om niet te verdwalen, delen vrees en
vrolijkheid, zijn altijd onderweg
            
naar een nieuwe dag. In het diepst van de tijd,
achter de hoogste toppen van geluk
liggen de tuinen van weleer, vóór ons ligt
            
in uitgestrekte stilte wat verscholen blijft
in braakliggende velden, waait hooguit iets
binnen van de andere oever. Laten we onze angst
            
bezweren, ons verweven met de volle schoonheid
van het leven. Muziek haalt de tijd terug.
Zo zetten we onze weg voort, de koele
            
nachtlucht houdt haar adem in, en zie,
het bloesemt weer – heel even.


 frb


05-12-17

De eerste alinea (58)


"Mijn vader had in de bergen zo zijn eigen manier van wandelen. Daar was weinig meditatiefs aan, het was een en al eigenzinnigheid en bravoure. Hij klom zonder zijn krachten te doseren, ging altijd met iemand of iets de strijd aan en als hij het pad te lang vond, klom hij gewoon recht omhoog. Als je met hem mee was, was het verboden te pauzeren en verboden te klagen over honger, vermoeidheid of kou, maar een lied zingen mocht wel, vooral als het onweerde of er dichte mist hing. En ook joelen als je je over de sneeuwvelden omlaag stortte."

Paolo Cognetti, De acht bergen. Vertaald uit het Italiaans door Yond Boeke en Patty Krone.
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2017


03-12-17

Overpeinzingen bij Georg Tral (slot)


Enkele maanden na Trakls dood na een overdosis cocaïne in november 1914 – hij is dan 27 jaar oud – verschijnt postuum zijn bundel Sebastian im Traum. Rainer Maria Rilke, onder de indruk van Trakls gedichten, schrijft over zijn leeservaring aan Ludwig von Fricker, tijdschrift-uitgever en sinds een paar jaar een vriend van Georg. Rilke is 'ergriffen, staunend, ahnend und ratlos’. Aan het slot van de brief vraagt hij zich af: 'Trakls Erleben geht wie in Spiegelbildern und füllt seinen ganzen Raum, der unbetretbar ist, wie der Raum im Spiegel. Wer mag er gewesen sein?'
Ik ga naar Trakl op zoek, blader in de biografie die Hans Weichselbaum over hem heeft geschreven (Salzburg, 1994) en zie de dichter steeds indringender op me instaren. Op één foto is Trakls gezicht in close-up afgebeeld, krijtwit. Ik schat hem vooraan in de twintig. De harde belichting geeft het portret iets klassieks, bijna iets van een dodenmasker, de kleine ogen klampen zich aan de fotograaf vast. De oren zijn onscherp, de pregnante mond heeft alle aandacht gekregen, net als de dunne, platgekamde haren. Met hun strakke scheiding in het midden versterken ze de straffe blik van de adolescent. Er spreekt iets gelouterds uit deze oogopslag. 'Adem van de onbewogene', vertaalde Huub Beurskens het begin van ‘Nachtlied’. Het sluit naadloos bij deze foto aan.

(...) 
Elai je gelaat
Buigt zich spraakloos boven blauwige waters.

O! jullie, stille spiegels der waarheid!
Op de ivoren slaap van de eenzame
Verschijnt de weerglans van gevallen engelen.


Ik kijk nog even naar een afdruk van een aforisme dat Trakl aan Ludwig von Fricker toestuurde: 'Erwachend fühlst du die Bitternis der Welt; darin ist alle deine ungelöste Schuld; dein Gedicht eine unvollkommene Sühne.'
Alsof het zo moet zijn klinkt buiten de roep van een merel. Dan gaat onverwacht een lijster er tegenin. Het slaan van de merel zakt weg.
'Frieden der Seele.'


Uit Frans Budé, Het perfecte licht, Eckelrade 1999

30-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (5)


Tot aan zijn vroege dood werd Georg Trakl door angsten overvallen. In 1923 schreef Marsman hierover in De Gids: 'Langzaam en gestadig sterker beslopen hem de duistere angsten, die in hem sliepen, en zo overmanden hem de visioenen van angst en ontzetting die hem uit een gezicht, uit een bloem, onverhoeds en altijd konden bespringen.'
Trakls ervaringen in de kinderjaren, de verslaving aan drugs en alcohol die al in zijn gymnasiumjaren begon, de innige relatie die hij met zijn vier jaar jongere zus Grete onderhield – niet uit te sluiten is dat de twee een incestueuze verhouding hadden – krijgen al snel een tragische geladenheid tegen de achtergrond van de op handen zijnde ondergang van de Donaumonarchie. Dat zijn de biografische gegevens die Trakls poëzie wat toegankelijker maken.

Toch is het verhaal dat uit het werk van deze dichter spreekt ook zonder die voorkennis fascinerend genoeg om er door ontroerd te raken. Dat komt door de persoonlijke beeldtaal die, gevoegd bij de vrij-ritmische taal van de latere gedichten, al vlug een gevoelsstemming van bijzondere schoonheid oproept. De gedichten ontroeren doordat de dichter het tedere zo drastisch naast het onherroepelijke weet te plaatsen. Arcadische momenten en fragmenten met angst- en schuldgevoelens wisselen elkaar af. 'Voll Harmonien ist der Flug der Vögel’  klinkt het, maar een paar regels verder lezen we al: 'Schon dämmert die Stirne dem sinnenden Menschen.’ Weg beeld van vliegende vogels, alle aandacht voor de in diep gepeins verzonken mens! 

(wordt vervolgd)

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


29-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (4)




Komen de twee verstilde dieren uit Overpeinzingen deel 3 mogelijk in de laatste zin van 'Velden' voor? In ieder geval heb ik ze opgetuigd met 'een bit van goud en traan, dunne / zucht van zalf in hun haren.' Konden wij het Trakl vragen, hij zou weten hoe ik aan het einde van het gedicht naar zijn farmaceutische (alchimistische) achtergrond verwijs. Met als laatste beeld de maan, onttrekt het gedicht zich aan zichzelf en blijft er iets hangen van wat Wittgenstein zo raak over de gedichten van Georg Trakl zei: 'I do not understand them, but their tone delights me.'
Of dat ook voor een gedicht als 'Velden' geldt? Bij herlezing, na jaren, viel mij op dat ik er destijds geen merel in had opgenomen. Al die tijd had ik aangenomen dat ik de zang van deze vogel had laten meeklinken in een van de laatste strofes. Maar hoe ik ook lees: geen merel! Ik ben verstomd. Vaker had ik anderen van mijn relatie tot het verschijnsel merel verteld, een haat-liefde-verhouding. Die mistroostige avondzang van deze zwartrok onder de tuinvogel, de donkere roep die maar al te vaak samenviel met het geluid van de dichtschuivende gordijnen op mijn slaapkamer als de dag werd afgesloten, terwijl onzichtbaar achter het donkere velours de merel in het avondlicht positie had gekozen op een schoorsteen. Zó droefgeestig klonk zijn lied dat het me als kind beangstigde. Ik begon me bedreigd te voelen, zo hardvochtig hield hij aan!
Wat is er nu mooier in een binnenstadstuin dan een merel? werd me jaren later voorgehouden. Ik ben allang overstag gegaan, reken het de vogel niet aan dat ook nú zijn avondzang mij geen vertroosting brengt, eerder een soort melancholie.

Georg Trakl had hetzelfde met merels. Vandaar dat ik dacht dat ik de merel als een soort hommage in mijn gedicht had opgenomen. In zijn ‘Kasper Hauser-lied’ dat ik na jaren weer eens lees, valt mij op hoe hij deze vogel met 'zingende zwartvogel' aanduidt. En wat te denken van deze regel uit het gedicht ‘Anif’: 'Steeds schreeuwt in koude takken de nachtelijke vogel.' Vast een merel. En in Zomereinde: 'Aan de avondvijver stierven de bloemen. Een verschrikte kreet van de merel.' En dit staat er aan het begin van de intrigerende Elis-cyclus: 'Elis, als de merel in het zwarte bos roept, / Dit is je ondergang.'

(wordt vervolgd)

Uit Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


27-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (3)



Hoe kwam ik er eigenlijk toe paarden en ruiters in mijn gedicht 'Velden' (geciteerd in deel 1 van Overpeinzingen) op te nemen? 
Ik heb er iets mee. Sinds mijn vroegste jaren ging er van paarden een bepaalde dreiging uit. Mijn moeder – haar vader begon even vóór 1900 een stalhouderij – trof als kind haar lievelingspaard dood in de stal aan. Het verhaal van de aan kolieken gestorven Bles werd steeds opnieuw ingezet tegen de plotselinge dood van een van mijn goudvissen. 
Vooral ook zijn er de paarden in het straatbeeld van mijn jeugd. De paarden van M., 
bierbrouwer, ze lieten hun urinestraal zo hard op de kasseien plenzen dat mijn vader iedere vrijdag de grote spiegelruit kon zemen; die van het vervoersbedrijf V. G. en L., als je ze te kort langs de hardstenen stoeprand naderde, joegen ze stampend de vliegen van hun zwarte kleppen; en dan het paard van M., de melkboer, vlak voor onze deur in de hete zomer van 1957, zakte het door zijn benen – pas laat tegen de avond kon het door de brandweer worden afgevoerd. De paardendeken die over het dode dier was gelegd, kwam de melkboer pas een paar dagen later ophalen. 
Paarden, althans de gedomesticeerde, begonnen naar de dood te ruiken. Hun zinnebeeldige belichaming van kracht en vitaliteit, zoals ik die later in de Camargue zou zien, dat alles was voor mij voorgoed voorbij toen op 31 januari 1967 geen hemelwagen maar de door twee zwarte Friese paarden getrokken limonadekar van gazeusefabrikant B. de straat afdenderde en de op hol geslagen paarden tussen duizend beugelflessen half onder de kar, half in een groot openstaand keldergat bekneld raakten, net daar waar wij jarenlang onder bedreiging van dit soort viervoeters gewoond hadden.
Talrijk zijn de keren dat ik langs teugels en bit de paardenmond inkeek, tussen de omhooggekrulde lippen de hete adem voelde (r. 8: 'Besef van waken / damp en lijfgevaar') van wéér geen Bucephalos, Condé of Marengo maar van een even schichtig als verwend beest. Nee, dan de paarden van de firma's Hassink en Ramaekers. Hun winkels lagen op nog geen 300 meter van elkaar in Maastricht: zij hadden er een preparateur bij geroepen om hun paarden te laten opzetten als stille lokkers voor hun lederwaren. Zo'n paard – ja, zo'n paard gunde ik mij als kind al. 
Komen deze twee verstilde dieren mogelijk in de laatste zin van 'Velden' voor? 

(wordt vervolgd)

Uit Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


25-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (2)


Laat ik Georg Trakl zelf erbij halen. In 1914, hij is dan 27, vertrekt hij naar het front. Op grond van zijn werkervaring in apotheken te Salzburg en Innsbruck verricht hij als 'Medikamentenaksessist' zijn werk 'te velde'. Hij ziet de verschrikkingen en stort geestelijk in. De slag bij Grodek grijpt hem dermate aan dat hij na enkele pogingen tot zelfdoding ter observatie wordt opgenomen in een psychiatrische afdeling van het garnizoenshospitaal. 
Grodek – zo heet ook zijn allerlaatste gedicht. Ik citeer uit de vertaling van Huub Beurskens: '(... ) Alle wegen monden uit in zwarte rotting. / Onder gouden takken der nacht en sterren / Weifelt de schaduw van de zuster door het zwijgende woud, / Om de geesten der helden te groeten, de bloedende hoofden (... ).' Enkele weken later, op 3 november van hetzelfde oorlogsjaar, sterft Trakl in het garnizoenshospitaal van Krakau, naar wordt aangenomen aan een overdosis cocaïne.
Wie de moeite neemt mijn gedicht 'Velden' (opgenomen in deel 1 van deze overpeinzingen) nogmaals te lezen, zal tegen de achtergrond van Trakls afscheid van de wereld het decor waarin het gedicht is geplaatst beter begrijpen. Velden worden krijgstonelen, slagvelden die door alle gruwelijkheden met bloed doortrokken horizonten krijgen. Beelden schuiven in elkaar, raken met elkaar verstrengeld. Visioenen kunnen alleen nog apocalyptisch zijn, zeker voor de uiterst neerslachtige Georg Trakl, die het spookbeeld oorlog ook nog eens, eenmaal opgenomen in de kliniek, in hallucinaties ondergaat. Het is de stem van een van de ruiters op het slagveld (strofe 3 van het gedicht uit het eerste deel van deze overpeinzingen)) die ik in het hoofd van de eenzaam stervende dichter laat nagalmen. De oproep van het ministerie van Oorlog (door mij weergegeven als 'Trakl moet te velde') wordt hier plots voorspellend: 'Een jas met bloed en gaten.' Zo zijn de dienstdoende ruiters al vanaf de eerste regel naar hem op zoek om hem in de bloei van zijn leven mee te nemen, die andere, Elysische, velden in; uit het zwart van de eerste strofe naar het goud en de zalf van de laatste regels. Zwart, goud, maar ook blauw ('blauw beschenen haar') refereren aan Trakls poëtica. Het blauwe licht dat over zijn hoofd valt, gaat net zo goed terug op de invulling van diens kleurensymboliek – dieptepsychologen geven voor blauw onder meer een toestand van bevrijding – als heel concreet op de kleur van het omslag van de Rowohlt-uitgave: de biografie liet me Georg Trakl voor het eerst op foto zien, in een schemerige blauwgrijze schijn. 

(wordt vervolgd)

Uit Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


23-11-17

Overpeinzingen bij Georg Trakl (1)


Paarden, merels en een lijster Overpeinzingen bij Georg Trakl (1887-1914)

Het gedicht 'Velden' – ik schreef het in 1987 bij de honderdste geboortedag van Georg Trakl – is een gedicht dat voor veel lezers, ondanks de rechtstreekse verwijzing naar deze Oostenrijkse dichter, iets raadselachtigs heeft, zelfs voor wie op de hoogte is van Trakls dramatische levenseinde. Wat moet dat met die 'zwarte velden', 'glazen stemmen', dat 'bloed en water', die 'paarden / een bit van goud en traan, dunne / zucht van zalf in hun  haren'? Wat doen paarden in deze vreemde velden?

Velden

Toen ze hem niet zagen 
die nacht een dun geraas 
herkenden aan zijn haren 
rezen zwarte velden op, 
bloeiden zich daar dood, zwart-
gepluimde hagen, weggesneden loot

Er waren glazen stemmen bij. Ruiters 
in een waan. Besef van waken 
damp en lijfgevaar

'Trakl moet te velde. Trakl krijgt een naam 
Een jas met bloed en gaten
Blauw beschenen haar'

Hij zag de velden, rook
een roes van bloed en water, afgedreven 
haar. Wie ademde keek verder – 
in de bekken van de paarden 
een bit van goud en traan, dunne 
zucht van zalf in hun haren, wild 
gekamde maan

Alles in dit gedicht draait om Trakl. De dichter en zijn kwellingen, zijn vaak melancholische gedichten, ze waren me bekend. De dichter H. Marsman had ooit over hem geschreven, het zou bijna zestig jaar duren voor een andere dichter, Huub Beurskens, in 1981 met de bundel Het zwijgen in de steen aandacht zou vragen voor het werk van de Oostenrijker. In hetzelfde jaar verscheen in Leipzig de fraai verzorgde uitgave Gedichte, Dramenfragmente, Briefe.

'Ich bin immer traurig, wenn ich glücklich bin!' las ik in een brief aan zijn zus Maria. En in een schrijven aan Erhard Buschbek: 'Ich möchte mich gerne ganz einhüllen und anderswohin unsichtbar werden. (...) Alles ist so ganz anders geworden. Man schaut und schaut – und die geringsten Dinge sind ohne Ende.' Mijn nieuwsgierigheid was gewekt.

(wordt vervolgd)

Uit Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


16-11-17

De eerste alinea (57)


"Soms gebeurt er iets in je leven waarna je nooit meer dezelfde wordt. Het kan iets directs of indirects zijn, of iets wat iemand tegen je zegt. Maar wat het ook is, er is geen weg terug. En onvermijdelijk, als het gebeurt is dat plotseling, zonder waarschuwing vooraf."

Mark Henshaw, De sneeuwkimono.
Vertaling uit het Engels: Kees Mollema. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2016.

13-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (5)



"De maan – Zoals ze opkomt boven de rosse bergen, niet als schijf maar als bol, als bal van bleek ivoor; het paars eromheen, het andere dat buiten haar is, het niets tussen haar en ons, het heelal, de nacht, de dood. En de dag en het licht dat voor deze ruime hangt, wat is het toch weer dun, een sluier van zijde die ieder moment kan scheuren. Je moet niet in de zon gaan liggen slapen. Je wordt wakker met pijn in je aderen, althans met een lijflijk gevoel dat je bloed en aderen hebt, met een plotseling besef van tijd die verstrijkt, en de avond die ons nog een keer opneemt met bloeiende brem en glinsterende zee – hij is even schrikwekkend als prachtig, telkens weer, vol plotselinge doorkijkjes naar het onzichtbare."

Max FrischDagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


10-11-17

Gedichten op video (9)



AZUL

Toen we in dat landschap waren,
De zee dichtbij, waar het zand rook
Naar zand, droog en vochtig, boog
Het kinderhoofd en legde zich neer.

Ik was de vroege slaper en mijn
Stem gorgelde in schelpen. Ik was
De ziener van de zee, met zand,
Met schep en zeepier in de hand.

Ik was een jeugdbeeld, dat knaagde
Aan de ochtendspiegel, moeiteloos strand.
Toen we in dat landschap waren,
Vloed spoelde, geen ontkomen.

Stond het water op de lippen.
Ik was de golven, het kind
Van toen. Het land met gaten
In de wolken, vingers aan de rand.

Hans van de Waarsenburg

Uit Azul, uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2006. Ook opgenomen in Hans van de Waarsenburg, Een rijbroek uit Canada. Een keuze uit de gedichten van 1965 tot 2015. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2016.

08-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (4)


"De apen in de dierentuin – indruk: die zitten daar precies op de grens waar de verveling begint. Plotseling stoppen ze waarmee ze bezig zijn, kijken naar de lucht, even tonen ze alle melancholie die de mens onderscheidt: alleen kunnen de apen niet naar een concert, naar het toneel, ze kunnen er nog geen kunst van maken, ze luizen elkaar, voor de wetenschap missen ze het verstand, ze spelen met pinda's of hun geslachtsdeel – meer hebben ze nog niet in huis. Maar ze kunnen al spelen! Salamanders spelen niet; die liggen op hun buik, ademen en verteren; die hebben er zelfs geen benul van wat verveling is. Een redelijk intelligent mens, hoor je wel eens beweren, kan zich niet vervelen. Intelligentie is de voorwaarde voor verveling! Onlangs heb ik weer over de Griekse goden gelezen: en vervelen dat ze zich doen! Ze zetten aan tot moorden en oorlogen enkel om zichzelf te amuseren in hun onsterfelijkheid... De goden, niet door een eind bedreigd, en de salamanders, die op hun buik liggen te ademen – ik zou noch met de salamanders noch met de goden willen ruilen."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


04-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (3)


"De zee is warm maar er staat al een frisse wind, je zoekt de zon als je gezwommen hebt. Ook het zand doet als je een kuil wilt graven aan herfst denken; het blijft aan je huid plakken, kil en vochtig, en de lucht is zo dat je, als je daar ligt met je ogen dicht, plotseling aan onze bruine en rode bossen thuis moet denken. Ze zijn al bezig de in bonte kleuren geschilderde badhokjes af te breken, en de vissersbootjes zijn op het strand getrokken. Elke dag kan de laatste zijn. Verder zijn er alleen nog twee buitenlandse meisjes. Ik weet niet eens welke taal ze spreken, zo geweldig gaat de zee tekeer als ze haar golven met donderend geraas op het strand werpt. Uren achtereen kijk ik naar hun fluisterend gekrieuwel, iedere keer schittert het zand, blinkend van het nat dat langzaam als vloeipapier doffer wordt, en weer blijven de lege schelpen achter, meestal verschillende, ze zakken weg in het zand, er vormen zich kleine putjes totdat de volgende golf komt, oprijst en hol wordt zodat de zon erdoorheen, en met schuimbruisende kruin ineenklapt, stampend, kletsend, kolkend."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


01-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (2)


"Laatste avond ergens in een café. Dansende paartjes, vrolijk, tussendoor eten ze gerookte vis, brood met boter, augurkjes erbij, gedronken wordt er sterke drank. Drie mannen die er erg verfomfaaid uitzien spelen piano, viool en fluit. Onbeschrijflijk mooi als ze de mazurka dansen, één enkel paar, zij met zwierende haren, gelukkig, blijdschap zonder euforie, kinderlijk. Telkens weer die verbluffende flair voor lichamelijke expressie, die bedrevenheid in het liefdesspel, niet preuts maar ook niet ordinair, gratie van beide kanten, die alleen al doordat ze algemeen is nooit de indruk van exhibitionisme wekt. Je voelt een kracht, niet iets onbestemds maar iets jongs, een direct, onvoorwaardelijk plezier in leven, dansen, eten, praten of zingen."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.



25-10-17

Fragment dagboek van een schrijver (1)



"Vaak als ik 's morgens naar mijn werk rijd stap ik van mijn fiets en neem de tijd voor een sigaret. Mijn fiets zet ik niet op slot om hier niet te lang te blijven hangen, waar het water tegen de stenen van de oever klotst. Eigenlijk is het een opslagplaats, niet aangelegd voor de sier; soms stapelen ze er koeken van zwarte teer op, bergen grint dat ze met vrachtwagens komen brengen en halen, en dan is alles weer leeg; alleen de houten keten blijven, de grote brokken natuursteen, de hagedissen, het verroeste blik, natuurlijk ook het groepje berken, het verwilderde gras, het meer en het bordje 'verboden toegang' dat me jarenlang heeft afgeschrikt, daarachter de open uitgestrektheid."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


18-10-17

Gedichten op video (8)


Rainer Maria Rilke Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.


11-10-17

De eerste alinea (56)


"Ik weet niet precies waar ik zal beginnen. Het is moeilijk. Al die tijd is verstreken en valt niet meer in woorden te vatten, en de gezichten, glimlachen en wonden evenmin. Maar toch moet ik het probleem vertellen. Vertellen wat ik al twintig jaar op het hart heb. Berouw en grote vragen. Ik moet het mysterie als een buik openrijten en er mijn beide handen in steken, ook als dat nergens iets aan verandert."

Philippe Claudel, Grijze zielen. Uitgeverij  De Bezige Bij, Amsterdam 2010.


04-10-17

Gedichten op video (7)


Tot de levenden

Ik val, ik blijf maar

Vallen, blijf nergens
Liggen nu jullie mij overal neerleggen hier
In die hoge, brede, diepe, denkbeeldige wieg
Van voor mijn geboorte, ik blijf maar

Vallen, ik val
Uit mijn naam, ik val
Uit mijn val, ik val
Uit mijn rol, en zo almaar door vallende sleur ik

Mijn stad en mijn straat
En mijn vrouw en mijn huis
En mijn kinderen mee
In mijn val, ik blijf maar

Vallen, en vallende sta ik nu onderste-

boven en binnenste-
buiten uit-
vergroot in jullie blik

Gespiegeld, ik blijf maar
Vallen, ik val
Uit mijn rol, ik rol
Uit mijn val.


Leonard Nolens Uit: Voorbijganger. Uitgeverij Querido, Amsterdam 1999

27-09-17

Bij Amalfi


Bij Amalfi

Daar het dorp. Ik ken het sluiten van
de deuren, als de zon de stoep op schuift,
vluchtige hand in schutkleur

aan de zoom van het gordijn. Dan ligt alles
dood, breeduit. Het gebeurt dat men zich
te ruste legt, in complete schoonheid
de stal vervallen laat, de moeder, de zoon,
en denkt aan het licht dat uitdrijft, strelend 

de vroege middag, waar niemand bij is,
het gekoer van duiven, zomerkleren aan 
de lijn, waaiend, nooit gelijk.


Eerder verschenen in De trein loopt prachtig binnen. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2003

(foto frb