26-06-17

NBD Biblion over 'De dagen'


NBD Biblion (voorheen Nederlandse Bibliotheekdienst) verzorgt voor de bibliotheken recensies van pas verschenen boeken. Ook De dagen kreeg een bespreking die hier te lezen is.

23-06-17

Over Fernando Pessoa (slot)


Gisteren nog had ik dat schrijfbureau willen zien, in het huis met de vele ramen aan de Rua Coelho da Rocha waar Fernando tot zijn dood op kamers woonde. Maar de deur op de bovenverdieping bleef op slot. Helaas. Ik moet het nu doen met een ansichtkaart die ik aan het begin van de straat post. De loketbediende plakt een dermate grote postzegel van de H. Antonius op de achterkant dat de bovenste regel van het adres verloren gaat. ‘This is a good saint, he will keep your card,’ zegt ze bloedserieus als ze de verbazing in mijn ogen leest. ‘...In de trieste wanorde van mijn gevoelens...’ zoals Pessoa ooit zei, trek ik mij terug uit de rij. 
Wat straten verder, in een plantsoen, strijken vergeelde palmbladeren over de groene buste van een vergeten held. Twee mannen zitten zwijgend te kaarten. ‘s Anderendaags, als de taxi naar het vliegveld een verkeerde straat inslaat, zitten ze er weer. Bedreven gooien ze hun kaarten op. Op nr. 16 in de Rua Coelho da Rocha wordt een bureau naar binnen gedragen. Links en rechts over de laden lopen brede stroken tape. Dan schiet de bovenste lade open. Ik schrik, en draai me om. 
‘What did you see?’ vraagt de taxichauffeur. 
‘A part of the universe,’ waag ik te zeggen.
‘It sounds like a song,’ zegt hij.

O Pessoa, ik raak je nooit meer kwijt.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



21-06-17

Over Fernando Pessoa (11)



Zoals deze schrijver Lissabon aan de wereldliteratuur heeft geschonken – Kafka bij Praag behoort, Joyce bij Dublin, Borges bij Buenos Aires, Garcia Márques bij Macondo – zo heeft de stad aan de Taag haar schrijver opgenomen in de eerbiedwaardige omgeving van een rustgevende stilte, niet ver van de pronkgraven van twee koningen, in de nabijheid van een andere schrijver, Almeida Garret die in 1854 werd bijgezet. 
Alle geheimen en raadsels uit één straat van deze Portugese stad schreef Pessoa de wereld in, vanachter een bureau in de Rua dos Douradores, waarvan alleen hij wist welke lade toegang gaf tot het universum dat hij elke dag opnieuw in zijn geschriften probeerde te doorgronden. Men heeft hem een kort gedicht van Ricardo Reis, een van de heteroniemen, meegegeven dat ik thuis in de vertaling van August Willemsen nalees:

Wees, om groot te zijn, geheel: maak niets wat jouw 
is Groter of tot niets.
Wees al in alles. Leg zoveel je bent
In ‘t minste dat je doet.
Zo blinkt de maan in ieder meer geheel

Wijl zij verheven leeft.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

19-06-17

Over Fernando Pessoa (10)




Het is de beleving van droom en werkelijkheid, de uiting van een levensgevoel dat transcendentaal moet zijn, dat hij onder het heteroniem van de dichter Álvaro de Campos zó weergeeft: ‘Of zijn wij allemaal het Ik dat ik hier was of wij hier waren, / Krans van kraal-levens geregen aan een snoer-herinnering, / Krans van dromen over mij van iemand buiten mij?’
Het is zondag twaalf uur, heel Lissabon zal het weten! Op de kleine witte huizen die zich tegen de heuvel van Alfama omhoogkronkelen stort de zon neer, de blinde op het Rossio zakt in zijn eigen schaduw weg, over het water van de Taag spant zich in de trillende verte de rode brug, glinsterende auto’s kruipen als mieren in een spoor naar de overkant. 
Touringcars spuwen luchtig geklede toeristen uit, ik ben met de tram, sta er zo’n beetje tussen, zie wat zij niet zien: een bruid die aan de arm van haar veel te kleine vader zo dadelijk het Mosteiro dos Jerónimos wordt binnengeleid. Ik haast mij naar het voorportaal. ‘Família?’ wordt me gevraagd. Ik wil de architectuur bewonderen, ben al uit de schemer van het laagkoor getreden en sta onverwacht in het heldere licht van de Renaissancekerk onder de sierlijke pilaren. Nogmaals: ‘Família?’ Zonder te blozen zeg ik ‘sim!’, en, zie daar: het middenschip gaat voor me open. 

Een uur later, in de luwte van het claustro, niet ver van een leeuwenfontein in een nis van een van de gangen die om de pandtuin ligt, stuit ik onverwacht op een zuil van roze marmer. Iets onder het midden, op een halfmatte chromen plaat lees ik: Fernando Pessoa 1888-1935. Dat had ik nou niet verwacht! ‘13 Junho 1985’ staat er beneden aan de rand. Vijftig jaar na zijn dood is hij hier herbegraven. Ik sta, zonder er erg in te hebben, op de afdekplaat van zijn graf.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



16-06-17

Over Fernando Pessoa (9)




Fernando Pessoa maakt de buitenwereld tot het ik. Met een manier van kijken die zich buiten het ik bevindt, die buitenwereld is, en die hij ‘binnenhaalt’ om het tot ‘ik’ te laten worden. De ziel waarover hij het in zijn boek zo vaak heeft is daarmee zowel het bewuste als het onbewuste, het ik, zowel als het zijn en het bestaan. Benardo Soares leeft wel en ook weer niet, hij verkeert in een toestand tussen het zijn en de voorstelling van het zijn, tussen de werkelijkheid die hij waarneemt en die hij al schrijvend oproept. Pessoa voert ons mee een landschap in, al snel lopen we aan de andere kant van het schilderij, voelen we dat wat we zien meer dan het alledaagse is, dat het om een gevoel van onrust gaat die het hele bestaan omvat, die iets van een tragiek oproept, een oneindigheid van opeenvolgende levens die zich uitkristalliseert niet buiten mij, maar ìn mij.



frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


14-06-17

Over Fernando Pessoa (8)


Wat doet een vreemdeling in Lissabon? Na een paar dagen herkent hij deze of gene inwoner: de krantenman, de blinde lotenverkoper – gisteren nog op de trappen naast het Estação Rossio. En is dat, nu in zijn vrijetijdskleding, de ober niet van het chique Faz Figura? Boven de ouderwetse zaak rechts ontdek ik een man in de smalle opening van de glasgordijnen. Met één hand aan de stof om zich zo nodig ogenblikkelijk onzichtbaar te maken tuurt hij de straat af. Net als ik ziet hij de zwaarinvalide man, het identiteitskaartje in diens rechterhand houdt hij alle dagen dat ik in Lissabon op dit punt langskom op dezelfde achteloze manier omhoog. Hij staat ietwat teruggetrokken op een stoepje naast een grote deur, zijn gezicht is ernstig mismaakt, donkerrood, gezwollen, onherkenbaar. De man achter de gordijnen observeert eerder de reacties van argeloze voorbijgangers dan de mismaakte bedelaar aan de voordeur. Wat jaren geleden nog zou hij een kermisattractie zijn geweest, nu is hij een vast onderdeel van de stad  geworden. Als twee meisjes vol afschuw hun hoofd afwenden, verschijnt er een glimlach op het gezicht van de man achter het raam, en voor de zoveelste keer die dag trekt hij de gordijnen dicht. Voor even. In een volgende ronde bekijkt hij de gedragingen van de buspassagiers of hij kijkt een koppel duiven na dat klapperend neerstrijkt tussen de asfalthobbels op de weg.
Zo moet Pessoa’s Benardo Soares de wereld hebben zien voorbijgaan. En uit de eenvoudige gebeurtenissen op straat haalt hij de thema’s binnen – schoonheid, verval, eenzaamheid, kunst, dood, identiteit. Gesprekken die elders in Europa in burgerlijke literaire salons gevoerd worden.


frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

12-06-17

Over Fernando Pessoa (7)



Achter mij, in een van de rechte straten van de benedenstad, ligt de Rua dos Douradores. Hier, in een huurkamer, plaatst Pessoa het leven van zijn heteroniem Benardo Soares. ‘Ik ben het,’ zegt hij al gauw over dit personage, ‘zonder het verstand en de affectiviteit.’ In talrijke geschriften wisselen mijmeringen en dagdromen elkaar af, tast de schrijver rusteloos naar het hoogst bereikbare, lossen én wereld én Lissabon – de geliefde benedenstad incluis – zich op in het hoofd van de man die zijn eigen universum opbouwt, wetend dat hem dit nooit zal lukken. Voor hem hoefde dit briljante proza ook nooit gepubliceerd te worden; uit het schrijven haalde hij zijn identiteit, niet uit het publiceren, en een eventuele daarop volgende roem.
Ik loop verder in Pessoa’s stappen onder de hoge gevels van de stad door, totdat aan het brede Praça Dom Pedro IV de zon mij dwingt mijn weg langs de huizen te zoeken. Bij het fameuze ‘Café Nicola’ neem ik plaats op het kleine terras.

 frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

09-06-17

Over Fernando Pessoa (6)



Waar leed Pessoa zo aan, waarom wilde hij het leven niet voelen, de dingen niet beroeren, waarom vluchtte hij in het isolement? Het is dit: ‘Ik voel de tijd met een immense pijn. Wanneer ik iets achter me laat, is dat altijd met een overdreven ontroering (...). De tijd! Het verleden! Wat ik was en nooit meer zal zijn! Wat ik had en nooit meer zal hebben. De Doden! De doden die mij beminden in mijn kinderjaren. Wanneer ik hen oproep verstart heel mijn ziel en voel ik mij uit hun harten verbannen, alleen in mijn eigen nacht, terwijl ik als een bedelaar de gesloten stilte van alle deuren beween.’
Het lijkt op verlatingsangst. De melancholieke stemmingen die het Portugese saudadegevoel zo  kenmerken, komen daar nog eens bij – de opluchting én droefenis vanwege de pijn en de liefde die geweest zijn, die nog komen moeten en die nooit zullen komen: de niet te beschrijven nostalgie die zich muzikaal een uitweg zoekt in de melodie van de fado. Ook dat dus. ‘Wij zijn eeuwige voorbijgangers aan onszelf,’ schrijft hij. ‘Voor óns (...) bestaat enkel het landschap dat wij zelf zijn. Wij bezitten niets, want we bezitten niet eens onszelf. We hebben niets omdat we niets zijn. Welke hand moet ik uitstrekken naar welk heelal? Het heelal is niet van mij: ik ben het.’

 frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


07-06-17

Over Fernando Pessoa (5)



‘Een lege straat is geen straat waar niemand loopt,’ vervolgt Pessoa zijn notitie, maar een straat waar zij die er lopen, lopen alsof ze leeg was.’ Zoals de toeristen nu gaan doen bij het naderen van de zigeunerin: hun blik wordt vaag, ze kijken weg, ergens naar waar ze een leegte vermoeden als een zichtbaar iets. Voor een moment maken ze de straat leeg, hun passen worden afgemeten, de blik afwerend. Ze kijken met stijve ogen de straat uit, naar de draden van de trams in de verte of naar de gietijzeren lift van Santa Justa, vlakbij, die zo-even een klas gillende schoolkinderen 32 meter boven het straatniveau heeft getild, en waarvan de bediende de ijzeren hekken weer sluit, terug naar een nieuwe levende vracht die hij aftelt in de aangeschoven rij. Maar dan zit ik al onder de koele bogen van het Café Martinho da Arcada, laat me een besuikerd schuimtaartje voorzetten en kijk uit over het plein waar de kleine trams – sommige rijden al sinds 1904 – als goudkleurige insecten voorbijschieten, hun strakke sprieten tegen de inktblauwe lucht, klapperend bij elke halteplaats als de nauwe deurtjes voor de duizendste keer die dag zich openen en sluiten, net als in de jaren twintig, dertig, toen Fernando Pessoa op weg naar huis peinzend, ‘als een schilderij in het donker’, zichzelf onderzocht in het raam naast hem.
Eenmaal thuis registreerde hij de indrukken die hij opsloeg in zijn bewustzijn om ze uiteindelijk in woorden om te zetten. ‘Al schrijvend word ik kalm, als iemand die wat beter ademt zonder dat de ziekte over is.’


 frb

Uit: Het perfecte licht, Uitgeverij Scorpio Eckelrade, 1999



04-06-17

Over Fernando Pessoa (4)




Hier in deze straten moet hij gelopen hebben. ‘Wat rest iemand als ik, die leeft en geen leven weet te hebben?’ Ik hoor het hem zeggen. En een blok verder: ‘Ik vraag mij af hoeveel mensen ooit met de blik die het verdient gekeken hebben naar een lege straat met mensen erin (...). Zodra men het één keer heeft gezien, kost het geen moeite meer om het te begrijpen.’
De Rua Augusta, op dit uur dat de zon zich breed op de daken van de stad heeft gelegd, is zo’n straat. De dure winkels zijn tot na de siësta dicht, slenterende toeristen maken de straat triest en leeg. Een jongetje, verzonken in de spiegelruit van een modezaak, gebaart naar zichzelf, hij buigt zijn hoofd alle kanten op, zijn ogen blijven zijn bewegingen in de spiegeling van de etalage volgen. Zo ongeveer als toeschouwers bij een tv-programma die zichzelf op het grote scherm in de zaal zien even de uitzending vergeten en onderzoekend met een hand over hun wang gaan, of op een andere manier iets geks proberen. Ze veinzen achteloosheid, ondertussen zijn ze met elke vezel van hun lijf gericht op wat komen gaat. Het jongetje voor het modemagazijn maakt nu danspasjes, hij weet dat ik hem zie. Voor en achter hem kuieren mensen door zijn beeld, pas als hij tegen het centenbakje van zijn moeder botst is hij weer terug op straat.


 frb


Uit: Het perfecte licht, Uitgeverij Scorpio Eckelrade, 1999



02-06-17

Over Fernando Pessoa (3)



Pessoa in 1915, zoals Harrie Lemmens hem vertaalde: ’Ik weet niet wie ik ben, wat voor ziel de mijne is (...). Ik voel me meervoudig. Ik ben als een vertrek met ontelbare toverspiegels die tot bedrieglijke spiegelingen vervormen – één enkele vroegere werkelijkheid, die in geen daarvan is en in alle.’
Al in het begin van Het boek der Rusteloosheid, een prozawerk dat voor mij misschien wel al zijn dichtbundels overtreft – bijna vijftig jaar na zijn dood, hij stierf in 1935, werd het voor het eerst uitgegeven – wordt de ‘voortdurende mijmering’ over de zin van het bestaan aangesneden. Het universum, dat was zijn hoofd. Lissabon zijn hart. De dagelijkse beslommeringen van zijn leven als hulpboekhouder bij een firma in stoffen, de conversaties in het Jugendstil-café waar hij bijna dagelijks zijn ‘sumo’ dronk (mét tic natuurlijk), zijn gevoelens, de stemmingen – hij observeert en registreert minutieus. Droom en hunkering houden hem op de been, de banaliteit van alledag doet hem in het schrijven vluchten. Zijn (semi-) heteroniem heet deze keer Benardo Soares, hij werkt net als Pessoa op precies zo’n duf kantoor en loopt al even graag de stad in.

 

frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

31-05-17

Over Fernando Pessoa (2)






Bij ‘A Brasileira’ heeft Pessoa een vaste plaats aan een tafeltje op het terras. Sinds wat jaren is hij terug in Lissabon, in brons. Toeristen schuiven bij hem aan en laten zich fotograferen. ‘Wie is dat dan, mamma?’ vraagt een Hollandse kleuter. Ze streelt hem op een plek van zijn arm die na de talrijke aaien geel oplicht. ‘Gewoon,’ zegt haar moeder, ‘zomaar een meneer van hier.’ Ze kijkt tussendoor op de plaquette.
‘Pessoa,’ leest ze hardop, ‘Fernando Pessoa heet hij.’
‘Waarom heet hij zo?’ houdt het meisje aan. ‘En wat betekent dat dan?’
En dan, geheel onverwacht, de moeder: ‘Pessoa betekent Persoon en dat betekent weer meneer. Tevreden?’ Dat ik dat niet eerder heb geweten! Maar dan slaat onmiddellijk de twijfel toe. Ze wou het kind alleen maar tevreden stellen, bracht onwillekeurig een woord uit dat toevallig bij haar opkwam.
Diezelfde avond blijkt haar gelijk. De man die als schrijver gebruik maakte van meerdere heteroniemen (naast Pessoa: Caeiro, Campos, Reis, Soares) blijkt volgens zijn paspoort ‘Persona’, oftewel ‘Persoon’, te heten. En dat voor iemand die in 29 dikke schriften en 25.426 originele manuscripten geheel verschillende schrijverspersoonlijkheden, elk met hun eigen individu, wist op te roepen. Vijf  schrijvers, verenigd in één ‘Pessoa’. Een dichter die ‘maskers’ (in het latijn ‘personae’) gebruikt om de eigen identiteit te fragmentariseren!
Fernando Pessoa plaatst zich zo meteen binnen het domein van de moderne Europese poëzie waar Baudelaire mee begon, die bij Mallarmé zelfs leidt tot volledige ontkenning van de eigen identiteit en bij Rimbaud uitmondt in de sensationele briefregel ‘Je est un autre’. Rilke, Benn, Valéry, Pound, Majakovski, Beckett – in dat rijtje hoort hij thuis: het type schrijvers dat zich steeds opnieuw gewaar wordt van het ‘uiteenvallen’ van het Ik en zich daarom bedient van meerdere ‘personae’.

 frb

Uit: Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999




29-05-17

Over Fernando Pessoa (1)


Beneden schieten buitenwijken voorbij, lappen droge grond, een enkel zwembad. Tussen de witte huizenblokken van de stad verspringt het licht. Ergens glijdt de strakke schaduw van het vliegtuig over de dokken van de haven, de rivier is breder en donkerder dan ik dacht. Ik moet denken aan dichtregels van Hans van de Waarsenburg:

Soms droom ik ‘s nachts van Lissabon
Traag dagboek dat verloopt in zon

Dat verpulvert op terrassen, wit dat
Snel verkleurt, gezette passen

De mond verzegelt, de huig van perkament
Een rimpeling, de verhulling die je bent.

Lissabon. Een paar uur later loop ik door de rechte straten van de benedenstad. Ik zoek Fernando Pessoa. ‘Hij liep alsof zijn voeten de grond niet raakten,’ had Ophélia Queiroz ooit gezegd over deze dichter. Hij schreef haar liefdesbrieven, noemde haar ‘kleine Ophelinha’, ‘baby tijger’, soms ook ‘vreselijke baby’ – zij bleef voor hem uiteindelijk onbereikbaar.
Van foto’s ken ik zijn imponerende gleufhoed, strikje, vreemd snorretje, bril, de altijd te korte pantalon. Wat stijfjes in zijn bewegingen, regenjas over de linkerarm, krantje in de hand. Altijd lange manchetten, grote schoenmaat. Halfkaal, daarom hoeden in allerlei soorten. Aanvankelijk een ijl montuurtje met ovalen glazen, later een zwaarder model, rond en zwart. 

 frb

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999




21-05-17

Bij een werk van Francis Bacon



Komt aangelopen, verdwijnt onhandig
tussen slierten, stengels, wortelresten –
dit is mij, kronkelend in een lach,

de rest is tooi. Zo diep ik op,
sla ik over, wil u niet onthouden
de plassen en het vocht

waarin ik slaap, na verloop van tijd
mij draai, of anders op mijn rug
mij krab, graai en speel,

al zie ik later pas de haren die
dooreen te voorschijn, nachtblauw 
in vol ornaat de verzorger, beroerde

prater die ’s avonds afscheid neemt
en schampt de lege bakken water.
Hij vult zichzelf aan, de stilte laat hij staan.


 frb

Francis Bacon, Chimpanzee, 1955, olieverf op doek
Uit: Bestendig verblijf, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2009


10-05-17

In Worpswede (2)



Paula Modersohn-Becker in Worpswede (2)

We herkennen elkaar, spreken af 
aan deze zijde bij elke zucht
door hoge berkenkruinen jouw stem
te horen, je leven doet zich over, straalt  

dat nooit meer afscheid komt geslopen.
Een plots gedraaide wind beroert
de iele bomen, vogels onzinnig
aan het bakkeleien, kakofonie van geluid.

Je omhelst je pasgeboren dochter,
ontfermt je over zoveel nabijheid. 
Wat dagen later, in de schaduw van 
elkaar, haalt de dood jou bij haar weg. 

De dood van gisteren is dezelfde 
als die van morgen. Alle lichten uit, 
de wind laat zich niet meer horen.


frb 

Uit: Achter het verdwijnpunt, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2015



08-05-17

In Worpswede (1)



Paula Modersohn-Becker in Worpswede (1)

Onder witte berken lost het landschap op, 
zijn meisjes aan het zoeken
geheimen in het gras. 
Op het laatst kleine, ronde kiezels
onder wijdvertakte bomen.
Deuren slaan open, we blijven staan,
wagen ons geen richting op.

We zullen ons herinneren die dagen
bij jou, de haard, de sofa, een tafel
met stilleven. Maar waar we zijn ben je niet.
Ginds trekt het moeras, verzinkt
het monster van de nacht, terwijl jij
je gedachten liet ontluiken, strelingen

van lucht en water, wiegde je het dunste blauw.
In kleine streepjes brak de hemel open.


frb 

Uit: Achter het verdwijnpunt, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2015


07-05-17

De eerste alinea (52)


                       "Hier is ze geweest. Op aarde en in haar huis."

Uit: Marie Darrieussecq, Hier zijn is heerlijk. Het leven van kunstschilder Paula Modersohn-Becker. Vertaling uit het Frans: Mirjam de Veth. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 2017.



01-05-17

Gedichten op video (3)



Mustafa Stitou

Groet

Verwelkom de demon wanneer hij jou vliegt naar de keel
en verschrikt dooft hij uit zingt de burgemeester
een groet en de wereld geeft thuis een groet
en op kijkt het hert in de mens dus groet waarom niet
de buren de boefjes de bakvisjes op het bankje
de krantenjongen de fluisterboot het wolken-
bedovertrek dat hangt uit het raam de golf
in de gevel de kangoeroe met kind
(amsterdamse school jadaammussehere!)
groet de hortensia’s en groet de voetbalkooi
het wilde hangjong groet ook het bange
hangjong zingt de burgemeester dwars
door het floers van angstnevels heen.

De eerste alinea (51)


"Ik weet niet of ik jullie mijn dromen zal vertellen. Het zijn oude, verouderde dromen die meer passen bij een puber dan bij een burger. Ze zijn rijk geïllustreerd en tegelijk exact, een beetje traag maar zeer kleurrijk, dromen die gedroomd zouden kunnen worden door een verwaande, maar in wezen simpele ziel, een zeer methodische ziel. Het zijn dromen die op den duur een beetje gaan vervelen, omdat degene die ze droomt altijd vóór de ontknoping ontwaakt, alsof de kracht van de droom zichzelf had uitgeput in het verbeelden van bijzonderheden, zonder acht te slaan op het resultaat, alsof het dromen zelf de enige nog volmaakte activiteit zonder doel was. Ik ken dus het einde van mijn dromen niet, en het kan onbehoorlijk zijn om ze te vertellen zonder een conclusie of een moraal aan te verbinden. Maar mij komen ze fantasierijk en heel intens voor. Het enige wat ik kan toevoegen om mezelf te ontlasten is dat ik schrijf vanuit de bestaansvorm – die plek in mijn eeuwigheid – die mij heeft uitgekozen."

Uit: Javier Marías, Een man van gevoel. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1991


21-04-17

'Look at me and see'



Nog tot 24 september 2017 te zien in het Bonnefantenmuseum te Maastricht: de tentoonstelling ‘Look at me and see what I could not (yet) see’. Werk van Gilbert De Bontridder en een aantal artistieke reacties daarop van jonge beeldende kunstenaars. Meer over deze tentoonstelling op de website van het museum.

Fragment uit het openingswoord

(...) Er blijft in het werk van Gilbert De Bontridder (1944-1996) steeds plaats voor poëzie. Het lyrische in zijn beeldende oeuvre sluit indirect aan op het karakter van het werk misschien juist door de orfische ordening van emoties in taal. In zijn ensembles neemt hij dichtregels op van ondermeer de Noord-Ierse dichter en latere Nobelprijswinnaar Seamus Heaney, diens Franse collega Pierre Reverdy, de uit de Verenigde Staten afkomstige Emily Dickinson, de Vlaamse dichter Roland Jooris (een handgeschreven gedicht van hem is opgenomen in het ensemble ‘Een dag in Collioure’) en de Nederlandse dichters Wiel Kusters, Hans van de Waarsenburg en schrijver dezes (zie foto). Door een beginstrofe van Dickinson in zijn installatie op te nemen reflecteert hij tegelijk aan haar levensverhaal en krijgt het geheel een mythische geladenheid die terugkeert in De Bontridders eigen woorden: 'The common fear/ disappearred/ in shaved dreams/ and was elevated/ to a rock of pain.' (...)

 frb